Artikel van de maand

Voor u gelezen

‘Association of Occlusal Morphology with Cracked Teeth: A 3D Morphometric Comparative Clinical Study’, Jiahui Deng, DDS, Haibo Wang, PhD, Zeqian Pan, MS, Weidong Lin, BDS, Yufeng Huang, BDS, Ming Gao, BDS, Lin Yue, DDS, PhD, Xiaoyan Wang, DDS, PhD, Fei Lin, DDS, and Ronald Ordinola Zapata, DDS, MS, PhD

Een gebarsten tand is gedefinieerd als een tand met een barst die doorloopt in het dentine van onbekende diepte of lengte en mogelijk tot in de wortel. In dit onderzoek wordt nagegaan in hoeverre specifieke kenmerken van de occlusale morfologie – met name de hellingshoek (cuspide-inclinatie), de cuspidehoogte en de hellingsvorm oftewel de cuspidecurvatuur – geassocieerd zijn met het ontstaan van barsten in molaren. Het doel van deze studie is om met behulp van moderne digitale 3D-scanners te bepalen of en welke occlusale kenmerken samenhangen met de aanwezigheid van barsten in molaren.

Methode
Voor deze cross-sectionele case-controlstudie werden 83 molaren met een barst vergeleken met 83 intacte controlemolaren. Elke molaar met barst werd gematcht op tandpositie, leeftijd, geslacht en etniciteit. De occlusale morfologie van alle molaren werd vastgelegd met een intraorale 3D-scan (Trios 3), waarna de digitale modellen werden geanalyseerd met gespecialiseerde software (3-Matic en Geomagic Wrap). De onderzoekers bepaalden drie belangrijke morfologische parameters: de cuspide-inclinatie, de cuspidehoogte en de hellingsvorm oftewel de cuspidecurvatuur.

De cuspide-inclinatie werd gedefinieerd als de hoek tussen de lijn van de cuspidetop naar de centrale fossa en een vlak loodrecht op de tandas. De cuspidehoogte werd gemeten als de verticale afstand tussen de cuspidetop en hetzelfde referentievlak. De hellingsvorm werd bepaald door de helling te segmenteren op basis van variaties in kromming, waarna een gewogen gemiddelde werd berekend. Op basis hiervan werden cuspiden geclassificeerd als flat, concave of convex.

Daarnaast werd voor elke gebarsten molaar de initiatiezijde van de barst (CIS: crack initation side) en de propagatiezijde van de barst (CPS: crack propagation side) vastgesteld. De CIS is de zijde waar de barst begint of het breedst is, terwijl de CPS de richting aangeeft waarin de brast zich uitbreidt. Omdat de anatomie van cuspiden sterk varieert tussen maxillaire en mandibulaire molaren, en tussen functionele en niet-functionele cuspiden, werden alle analyses per tandboog en per cuspide uitgevoerd. De statistische analyse bestond uit gepaarde t‑testen en multivariate logistische regressie om onafhankelijke risicofactoren te identificeren. De betrouwbaarheid van de metingen werd beoordeeld met een intraclass correlatiecoëfficiënt (ICC) tussen de drie onafhankelijke beoordelaars. De minimale groepsgrootte van 74 tanden per groep werd berekend aan de hand van een pilotstudie waarbij gekeken werd naar 20 gebarsten tanden en 20 controletanden.

Resultaten
Tandpositie en barst initiatiezijde
De maxillaire eerste molaar was de meest voorkomende gebarsten tand (28,9%), gevolgd door de maxillaire tweede molaar en de mandibulaire eerste molaar (26,5% : 26,5%) en de mandibulaire tweede molaar (18,1%).

De barst in de initiatiezijde was vaker distaal (69,9%) dan mesiaal (30,1%) met uitzondering van de eerste bovenmolaar, waarbij de barst vaker initieerde aan de mesiale zijde (54,1%).

Occlusale morfologie van gebarsten molaren
Voor zowel boven- als ondermolaren was de functionele cuspidehelling bij gebarsten molaren significant steiler (<.001)[ES1]  dan die van de controlemolaren aan de kant van de barstinitiatie. In de bovenkaak toonden gebarsten molaren significant hogere cuspidehoogtes (gemiddeld 0,2 tot 0,4 mm hoger) over alle cuspiden, met uitzondering van de niet-functionele cuspide aan de propagatiezijde. In de onderkaak werd eenzelfde hoogteverschil gevonden, gemiddeld 0,2 tot 0,4 mm hoger voor gebarsten molaren, voor de functionele cuspiden. Wat betreft de cuspidecurvatuur was een vlakke curvatuur de meest voorkomende vorm, met een hoger aandeel in de gebarsten groep (91,6%) in vergelijking met de controlegroep (84,3%). De curvatuur bleek niet significant te verschillen tussen beide groepen. De overeenstemming tussen de verschillende beoordelaars was goed (ICC: 0.76-0.88)

In de multivariate analyse voor bovenmolaren bleek dat steilere functionele cuspidehellingen aan de initiatiezijde (OR: 1.098, 95% CI: 1.025–1.777) en hogere functionele cuspidetoppen aan de propagatiezijde (OR: 3.407, 95% CI: 1.235–9.397) onafhankelijke risicofactoren waren. Dit komt erop neer dat voor elke extra graad helling het risico op aanwezigheid van een barst met bijna 10% toeneemt en voor elke millimeter extra hoogte het risico op aanwezigheid van een barst 3,4 keer hoger komt te liggen. Voor molaren in de onderkaak bleek enkel de hoogte van de functionele cuspide aan de initiatiezijde een onafhankelijke risicofactor (OR: 8.117, 95% CI: 2.434-27.469).

Discussie
De resultaten van deze studie tonen een significante associatie tussen occlusale morfologie en de aanwezigheid van een barst, zodat de nulhypothese verworpen kan worden. Waar vaak gevonden is dat barsten in het algemeen vanuit distaal initiëren, toont deze studie dat dit elementafhankelijk is. Waar de barst voor molaren in de onderkaak voor 89,2% initieert aan de distale zijde, is het opmerkelijk dat de eerste bovenmolaar in 54,2% aan de mesiale zijde gebarsten is. De auteurs opperen dat dit mogelijk te verklaren is door de unieke anatomie van de kroon, met name de prominente crista obliqua. Mesiaal hiervan gelegen ligt de relatief grote centrale fossa die op zijn beurt kan leiden tot een relatief dunne glazuurkap en diepe ontwikkelingsgroeves. Dit zou dan weer kunnen leiden tot hogere stressconcentraties in de mesiale fossa en de marginale randlijst.

Gezien het cross-sectionele ontwerp van de studie kunnen factoren enkel geassocieerd worden met de aanwezigheid van de barst en kan er geen causale relatie aangetoond worden met het ontstaan van barsten. Bijkomend kunnen bepaalde invloeden van factoren als parafunctie en occlusale relatie niet uitgesloten worden. Ondanks deze limitaties werd geconcludeerd dat bepaalde occlusale factoren geassocieerd zijn met de aanwezigheid van barsten en hiervoor een mogelijk risico vormen. Indien een zeer steile of hoge cuspide wordt waargenomen, verdient dit element een grondige inspectie op de aanwezigheid van barsten of breuken.  

Vertaald en geïnterpreteerd door Matthijs Münninghoff